zondag 26 januari 2014

Groenestroomcertificaat en eigendomsbescherming

In zijn arrest van 23 januari 2014 ging het Grondwettelijk Hof ook in op het argument van de exploitanten van biogasinstallaties dat de hervorming van het systeem van groenestroomcertificaten het eigendomsrecht, zoals beschermd door artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Volgens de exploitanten moeten de groenestroomcertificaten gekwalificeerd worden als eigendom, omdat die certificaten een accessorium vormen van de biogasinstallaties en dus deel uitmaken van de eigendom ervan. Verwijzend naar het Nationaal Actieplan voor hernieuwbare energie dat in 2010 meegedeeld is aan de Europese Commissie en naar de quotumverplichting voor de elektriciteitsleveranciers, stellen de exploitanten dat zij legitiem erop konden vertrouwen dat zij aanspraak zouden blijven maken op groenestroomcertificaten gedurende de volledige levensduur van hun installaties.

De systeemwijziging houdt volgens de exploitanten een niet te verantwoorden reglementering van het eigendomsgebruik in. Op basis van het EVRM is een reglementering van eigendomsgebruik slechts mogelijk op voorwaarde, enerzijds, dat is voldaan aan het wettigheidsbeginsel en, anderzijds, dat er een billijk evenwicht bestaat tussen de vereisten van het algemeen belang en het belang van de fundamentele rechten van het individu. Hieraan zou niet voldaan zijn.

Het Grondwettelijk Hof herhaalt eerst zijn gebruikelijke passus over de bescherming van het eigendomsrecht:

B.33. Patrimoniale waarden, zoals vorderingen op grond waarvan de houders ervan kunnen beweren minstens een legitieme en redelijke verwachting te hebben dat zij het effectieve genot van een eigendomsrecht verkrijgen, zijn « eigendom » in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EHRM, 27 november 2007, Hamer t. België, § 75; grote kamer, 29 maart 2010, Depalle t. Frankrijk, § 63; 18 mei 2010, Plalam S.P.A. t. Italië, § 36), met dien verstande dat die verwachting moet berusten op een 'voldoende grondslag in het interne recht' (EHRM, grote kamer, 28 september 2004, Kopecky t. Slowakije, § 52; grote kamer, 29 maart 2010, Depalle t. Frankrijk, § 63).
Vervolgens verwijst het Hof naar zijn in de bijdrage van gisteren besproken standpunt dat de vroegere regelgeving niet in die zin kon worden geïnterpreteerd dat zij bij de producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen een legitieme verwachting in het leven riep met betrekking tot het behoud van de voorwaarden betreffende het toekennen van groenestroomcertificaten. Daarom stelt het Hof nogal kort en zonder veel motivering:
“Uit de omstandigheid dat de voorwaarden van het stelsel voor de toekomst worden gewijzigd, kan bijgevolg geen schending van het eigendomsrecht van de producenten van groene energie worden afgeleid. Voor het overige tasten de bestreden bepalingen de in het verleden toegekende certificaten op geen enkele wijze aan en brengen zij voor de biogasinstallaties met startdatum vóór 1 januari 2013 geen fundamentele wijzingen met zich mee op het vlak van de minimumsteunregeling.”
In de bijdrage 'Het vertrouwen van de buurman in zijn zonnepanelen' (Jaarboek Energierecht 2011) ging ik uitvoerig in op de vraag of een particuliere eigenaar van zonnepanelen zich zou kunnen baseren op het EVRM om zich te verzetten tegen een gewijzigde steunregelgeving.

Het spreekt voor zich dat al toegekende groenestroomcertificaten en al uitbetaalde minimumaankoopprijzen voor overgedragen groenestroomcertificaten 'eigendom' zijn in de zin van artikel 1. Zij zijn 'verworven', zoals Anatole Boute schreef in zijn bijdrage voor Climate Law:
“Second, it appears incontestable that green certificates or feed-in tariffs represent an economic interest for the eligible producers of electricity from renewable energy or combined heat and power. The ECHR allows that public benefits (as well as rights that are based on legislation) may constitute an economic interest protected under Article 1 of the Protocol. This economic interest seems to be “sufficiently established” for the green certificates that have already been issued.”
Anders is het voor de groenestroomcertificaten die nog niet toegekend zijn. Hierbij gaat het om toekomstige eigendom, die op zich niet beschermd wordt onder het EVRM. Daarom stelt zich de vraag of die eigenaar zich kan beroepen op een gewettigd vertrouwen om die eigendomsbescherming alsnog te claimen. Volgens Boute, die ter onderbouwing van zijn stelling wel geen rechtspraak of rechtsleer aanhaalt, zou hij dit kunnen:
“The issuance of green certificates (…) is often conditional upon proof of actual production of electricity from renewable-energy sources (or combined heat and power) in certified installations. Do producers have the established right to receive support for green electricity if the support schemes are amended or cancelled prior to production of the electricity? The right to receive the support is not yet enforceable. However, support schemes aim to attract private capital in sustainable energy production. Here too, then, investors may legitimately expect that the legal basis they took into account when committing financial obligations would not be retrospectively invalidated to their detriment. For what length of time may investors legitimately expect to benefit from this support? The regulations for the promotion of green electricity often limit the support in time. It can be said that, within this period of time, eligible producers are guaranteed to receive this aid. If the duration of the remuneration is not fixed, investors may still legitimately expect to benefit from support during a reasonable period of time (recoupment period), taking into account the higher investment (and operating) costs of these projects. The owners of production installations that are not completed prior to the amendment of a support scheme are unlikely to be considered as holders of the right to benefit from the support scheme.”
Op basis van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens schreven wij in onze bijdrage dat er echter meer moet zijn dan een eenvoudige hoop op tegemoetkoming, hoe aannemelijk ook, maar er een echt gewettigd vertrouwen moet bestaan, gebaseerd op een wettelijke basis of een juridische akte, zoals een vonnis of een arrest van een rechtbank of een hof. In het arrest-Gratzinger en Gratzingerova stelde het EHRM:
“L’article 1 du Protocole no 1 ne vaut que pour les biens actuels. Un revenu futur ne peut ainsi être considéré comme un « bien » que s’il a déjà été gagné ou s’il fait l’objet d’une créance certaine. En outre, l’espoir de voir reconnaître un droit de propriété que l’on est dans l’impossibilité d’exercer effectivement ne peut non plus être considéré comme un « bien », et il en va de même d’une créance conditionnelle s’éteignant du fait de la non-réalisation de la condition”.
Het feit dat op basis van een opgeheven wet de aanspraakmaker zich kan verzetten tegen de inperking van zijn eigendom door een nieuwe wet, lijkt voor het EHRM niet te volstaan.

Op die manier komt men, zoals het Grondwettelijk Hof terecht deed, opnieuw aan bij de vraag of op basis van het vertrouwensbeginsel, dat door het Hof als een grondwettelijk beginsel beschouwd wordt, een exploitant een legitieme verwachting kan aantonen die beschermd wordt door artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. Omdat het Hof, zoals hiervoor en gisteren geschreven, van mening is dat er geen sprake kan zijn van een schending van het vertrouwensbeginsel, is er ook geen grond om een schending vast te stellen van het te beschermen eigendomsrecht.




Share/Bookmark

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen